Het oog

Bouw van het oog

Bouw van het oogHet oog is te vergelijken met een camera. Het binnenvallende licht wordt via het transparante hoornvlies (cornea), de pupil en de ooglens geprojecteerd op het netvlies (retina). Op het netvlies bevinden zich zenuwcellen die de lichtprikkels naar de oogzenuw leiden. Van daaruit worden alle prikkels tezamen doorgegeven naar de hersenen die er een beeld van maken. 

Hoornvlies (cornea)

Het hoornvlies (cornea) is de heldere 'voorruit' van het voorste gedeelte van het oog. Ongeveer 70% van de breking (refractie) van de lichtstralen gebeurt door het hoornvlies. Daarmee is het hoornvlies erg belangrijk voor het scherpstelvermogen van het oog. De brekingssterkte van het hoornvlies ligt tussen de 40 en 45 dioptrieën.

Ooglens

De ooglens zorgt samen met het hoornvlies voor de brekende kracht van het oog. Spiertjes aan de lens zorgen ervoor dat de lens boller of minder bol kan worden. Door dit accommoderend vermogen van de ooglens is het oog in staat om zowel tijdens het lezen als tijdens het kijken in de verte een scherp beeld op het netvlies af te beelden. Vanaf het veertigste levensjaar wordt de lens steeds minder elastisch waardoor het dichtbij kijken moeilijker wordt en er vaak een leesbril nodig is.

Harde oogrok (sclera)

Het harde oogrok (sclera) is het witte gedeelte van het oog en zorgt voor de stevigheid. Aan de voorkant van het oogrok zit het hoornvlies. Aan het harde oogrok zijn zes oogspieren bevestigd die het mogelijk maken het oog te bewegen.

Regenboogvlies (iris)

Het regenboogvlies (iris) is het deel van het oog dat de kleur van de ogen bepaalt. De iris beschermt het netvlies tegen overmatige lichtinval doordat de pupil (de zwarte ronde opening in de iris) groter en kleiner kan worden door het ontspannen of samentrekken van een kringspier. In daglicht is de pupil klein, in schemerdonkere omstandigheden is de pupil groot.

Netvlies (retina)

Het netvlies (retina) is een dunne laag zenuwcellen die het binnenvallende licht opvangen. Het netvlies bestaat uit kegeltjes (cellen voor de waarneming van kleur) en staafjes (cellen voor het zien in schemering). Het licht wordt door middel van chemische processen omgezet in zenuwvezelsignalen, die via de oogzenuw naar de hersenen worden geleid. Aan de achterkant van het netvlies bevindt zich een gebied met alleen kegeltjes, de zogenaamde gele vlek (macula). Door de grote dichtheid van de kegeltjes kan het beeld hier het meest scherp waargenomen worden. Op de plaats waar de oogzenuw het oog verlaat, bevinden zich geen zenuwcellen. Dit wordt de blinde vlek genoemd.